terug

beppie

 

Vijfentwintig procent van de populatie van een huisartsenpraktijk vraagt de huisarts vijfenzeventig procent van zijn of haar tijd.
Deze wetmatigheid geldt voor iedere huisartsenpraktijk.

Zo heb ik Beppie.
Beppie zie ik bijna dagelijks.
Ze weet dat ik rond kwart over zeven in de praktijk ben, dus dan staat ze me met haar vieze dwergpoedeltje al op te wachten.
Zodra ik de deur van mijn auto open doe, begint de conversatie met de volgende volzin:
“Straks ga ik naar de vrouwenclub!”
“Das gezellig, Beppie.”
“Jaha.”
Hier stokt het gesprek meestal…
Op de dagen dat er geen vrouwenclub is, gaat het als volgt:
“Dur is geen vrouwenclub vandaag”.
“Jammer hè, Beppie.”
“Jaha.”
Einde gesprek.
Beppie is 50 jaar en zwakbegaafd.
Ze is klein, heeft sliertig donkerblond haar dat langs haar smalle gezicht hangt en loopt licht voorover gebogen.
Haar gezicht wordt gesierd door een dikke bril met plusglazen.
Deze zijn halfmat van het vet.
Haar gebit past niet goed meer, zodat het gezellig op en neer kleppert.
Ze heeft bijna altijd een blauw joggingpak aan en vaak  plastic roze laarzen.
Beppie is getrouwd en samen met haar Toon hebben zij een dochter, Priscilla.
Toon werkt niet meer.
“Afgekeurd voor m’n rug”, zegt hij dan, terwijl hij dan meestal ook nog mank gaat lopen.
Kratjes bier sjouwen gaat hem overigens nog goed af…
Zij bewonen een piepklein huisje op een steenworp afstand van de praktijk.
In dat huisje woonden ook nog de ouders van Toon.
Woonden, want zijn vader is inmiddels overleden en moeder is voorgoed opgenomen in een psychiatrische inrichting.
Beppie bezoekt haar trouw en komt daarna altijd even bij mij melden dat zij de groeten gedaan heeft van de dokter, terwijl ik mij niet kan herinneren haar dat ooit één keer gevraagd te hebben.
Vroeger hielp moeder met het huishouden, dat kan nu dus niet meer.
Niet dat dit veel uitmaakte, want het was er altijd al een enorme troep.
Hulp, van welke zorginstantie dan ook, werd categorisch afgewezen.
Waar Priscilla is gebleven, is niet met zekerheid bekend.
Na een flinke ruzie met haar vader is zij met een vriendje vertrokken richting Eindhoven en zit nu waarschijnlijk in de prostitutie.
Haar ouders hebben geen contact meer met haar.
Beppie heeft daar best verdriet van.
Voor de praktijk had dit ook directe gevolgen.
Priscilla, een jongere uitgave van haar moeder, was ook een frequente bezoekster van het spreekuur en had dan altijd de merkwaardige gewoonte om de toilet verfrisser mee te pikken.
Een kort telefoontje was dan voldoende om Priscilla te laten terugkeren naar de praktijk, waar zij met een stalen gezicht het flesje weer aan de assistente overhandigde.
Het is altijd even afwachten of Beppie klaar staat voor het gewone dagelijkse praatje of voor een bezoek aan het spreekuur.
De assistente heeft ooit geprobeerd haar uit te leggen dat ik sinds enige jaren een afspraakspreekuur heb, maar dat is onbegonnen werk.
Ik heb een zwak voor haar en probeer haar dan maar even te zien, voordat het reguliere spreekuur begint.
Toen ik een keer, tijdens een dienst, ’s morgens om zes uur, een spoedvisite reed, zat zij al op het muurtje te wachten.
Beppie was altijd vies en ze stonk ook.
Ik heb daar eens iets van gezegd, omdat het onderzoek daardoor ernstig belemmerd  werd.
Dat had zij toch onthouden, want sinds die tijd zegt zij steevast bij binnenkomst van de spreekkamer: “Zo, net nog even lekker gedouched.”
Nu zijn het nog alleen haar kleren, die stinken…, maar een mens kan niet alles hebben, laat staan een dokter.
Vandaag staat zij niet met haar gore hondje bij de auto, maar staat met haar gezicht naar de voordeur gericht.
“Goeiemorgen, Beppie.”
Ze bromt wat terug en kijkt mijn kant uit.
Ik zie een flink blauw oog in een behuild gezicht.
In de spreekkamer gaat ze tegenover mij zitten.
“Heeft Toon gedaan”, zegt ze voordat ik iets gevraagd heb.
Ze begint een beetje te snikken.
“Waarom dan?”, vraag ik.
“Omdat ik in bed gepiest heb. Toen heet ie me uit bed geslage.”
“Heb je daar vaker last van?”
“Soms, als ik een paar flesjes bier gedronken heb.”
“Slaat Toon je wel vaker?”
“Alleen als ik in bed gepiest heb.”
“Hadden jullie alle twee een paar flesjes bier op?”
“Ja.”
Nadat ik haar heb onderzocht en heb vastgesteld dat er verder geen ernstig letsel is, probeer ik haar gerust te stellen en te troosten.
.............................................................................

In mijn boek kunt u lezen hoe het verhaal verder gaat.

 

                                                                                                                                                                


                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                     
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008