breekbaar
Het viel niet mee, de eerste keer met
vakantie na de dood
van Henk.
Zij had van tevoren al tientallen
keren gebeld naar de
camping.
Over de route en over wat zij
allemaal wel en niet mee moest
nemen.
En of er in de buurt een supermarkt
was.
En of ze daar ook eten voor haar hond
Max verkochten.
En of er veel veranderd was sinds de
laatste maal dat zij op
de camping was, samen met Henk, vijfentwintig jaar geleden.
Uiteindelijk had zij de weg naar de
camping toch gevonden.
Met een zucht van verlichting was zij
de poort binnen
gereden.
Eerst haar reisgenoot Max, een Golden
Retreever, uitlaten.
Toen zij het restaurant binnenkwam
verstomden de gesprekken.
Zij woonde in een onneembare vesting
van eenzaamheid, die
voor iedereen overduidelijk was.
De hoge muren werden omringd door een
slotgracht, die al
langere tijd droog stond.
Alles was recht aan haar.
Van boven naar beneden een recht
lijf, bedekt door een
blouse en een lichtblauw lamswollen pullover.
Jeans met rechte, iets te korte
pijpen.
Instappers.
Het enige dat schuin aan haar was,
hing voor haar buik.
Het was een tasje, waarin alles zat
wat haar dierbaar was,
gekruist over haar lijf.
En haar hoofd dat een beetje scheef
op haar romp stond.
Haar haar had een onnatuurlijke kleur
donkerblond, alsof zij
een pruik droeg.
De uitdrukking op haar gezicht leek
te schreeuwen: “Heb
medelijden, heb medelijden met mij”.
Ze liep naar de telefoon.
“Kan ik even bellen, dat ik
goed ben aangekomen?”, vroeg zij
aan degene achter de bar.
“Gaat uw gang!”.
Zij belde de buren.
“Hallo Gerrie, wij zijn
goed aangekomen hoor”.
“Wij?”, vroeg een
stem aan de andere kant.
“Ja, Max en ik
natuurlijk”.
“Oh, dat is
mooi”, klonk het ongeïnteresseerd.
“Nou, veel plezier dan
maar, hè”.
“Dank je, ik bel nog wel
een keertje”.
Ze was alleen.
Had geen kinderen.
Na zeven jaar zonder kinderen had de
psycholoog iets gezegd
over “penetratieangst”.
Het had uiteindelijk niet geholpen.
Nu was Henk dood.
Eigenlijk had zij dit niet moeten
doen.
De stap was te groot.
Zij hoopte misschien hier iets te
vinden wat er al lang niet
meer was.
Voetstappen van Henk of mogelijk zijn
stem.
Bij die boom van toen of in de verte.
Zo liep zij over de camping, met
voorzichtige stappen, alsof
iedere stap overdacht diende te worden.
Alsof van iedere stap de voor- en
nadelen afgewogen moesten
worden.
Vol verwachting ging zij op het
terras zitten.
Keek om zich heen.
Het leed was van haar gezicht af te
scheppen.
Zij zocht iemand, een persoon, om
datgene wat haar overkomen
was te kunnen delen.
“Het
weer is
schitterend”.
“Nee…. uh ja,
was Henk er nu nog maar bij….”
“Wie is Henk?”
“Henk was mijn
man….”
“Was?”
“Ja, hij is dood”.
“Oh, neem me niet kwalijk,
wat erg voor u”.
“Ja”.
Maar er was verder niemand op het
terras.
Alleen zij zat er, te midden van haar
verdriet.
De enige, die in haar buurt kwam, was
de terreinknecht.
Galou was de planten, langs het
terras en de jeu de boules
baan aan het verzorgen.
Met de tuinslang voorzag hij de
planten en struiken van
water, terwijl hij met zijn andere hand wat wroette in de aarde.
“Bonjour”,
probeerde zij.
Zij knikte stijf en produceerde een
pijnlijk lachje.
“Bonjour,
madame”, antwoordde Galou.
Er kwam een onverstaanbaar zinnetje
schoolfrans uit haar
mond.
Iets over “beau
temps”.
“Mijn man is
dood”, zei ze zonder verdere inleiding.
Galou keek niet begrijpend en haalde
verontschuldigend zijn
schouders op.
“MIJN MAN IS
DOOD”, riep zij nu luid, “MORT…., MON
MARIE!”.
“Ah”, zei de
terreinknecht en deed of hij begreep waar het
over ging.
.............................................
© copyright paul hammelburg 2008