de
trein die niet kwam
Als
een indiaan lag hij
met z’n oor op de spoorrails.
Begon het suizen weer?
Het suizen van de rails
en tegelijk het suizen in zijn hoofd.
Na vierenvijftig seconden
zou de bel beginnen te klinken.
Een gemeen hard tingelen.
Dan nog eens vierentwintig
tellen en de trein zou voorbij schieten.
Ja, hij meende weer iets
te horen.
Hij had nog achtenzeventig
seconden om te beslissen.
Om te kiezen tussen leven en
dood.
Gisteren in de namiddag was
hij het doodlopende pad opgereden en had hij zijn auto langs de bosrand
geparkeerd.
Tussen de bomen, met de
neus naar de spoorlijn toe.
Het was voorjaar en het
weer was zacht en droog.
De twee pakjes Sultana’s,
die naast hem hadden gelegen, waren al lang op.
De lege zakjes waren zijn
stille getuigen.
Hij had alles overdacht,
had niet in paniek gehandeld.
In zijn handen hield hij
een onzichtbare weegschaal.
Het evenwicht was
verstoord en zakte steeds dieper door naar de kant van de dood.
Wat was er eigenlijk nog
wat hem aan het leven bond?
Zijn huwelijk was een
aflopende zaak en pruttelde nog wat na op een zeer laag pitje.
Hij had het opgegeven
enige energie in zijn relatie te steken.
Zij hield zich
voornamelijk bezig met spiritisme.
Zijn dochter was uit
huis, na vele problemen.
Hij hoorde zelden iets
van haar.
Zijn winkel in cadeauartikelen
liep voor geen meter meer.
De schulden liepen
geleidelijk op zonder dat er uitzicht op verbetering bestond.
Twee dagen geleden was
het tijdens de wekelijkse repetitieavond van de fanfare fors uit de
hand gelopen.
Na een opmerking van de
dirigent had hij woedend zijn trompet in een hoek gesmeten en had het
repetitielokaal verlaten
zonder verder iets te zeggen.
Hij had doelloos
rondgereden en was, als bij toeval, bij deze
spoorwegovergang
terecht gekomen.
Daar had hij zijn auto
stilgezet, de motor uit.
En in het donker kon hij
eindelijk huilen.
Zachtjes snikkend.
Geleidelijk werd het
huilen harder en indringender.
Hij schreeuwde en sloeg
met zijn vuisten op het stuur.
Net zoals zijn huilen op
kwam zetten, nam het in kracht weer af.
De stilte werd hoorbaar.
In een slakkengangetje
reed hij naar huis, parkeerde zijn auto in de garage.
Nadat hij de garagedeur
gesloten had, ging hij weer in de auto zitten en bleef daar.
Toen hij na een oneindig
lange tijd naar binnen was gegaan, ontweek hij zijn vrouw.
Hij deed of er niets aan
de hand was.
Zij deed of er niets aan
de hand was.
Hij sliep slecht.
Zij sliep slecht.
’s Morgens was hij op de
normale tijd naar de zaak gegaan, maar was de winkel voorbij gereden.
Doelloos reed hij rond,
stopte soms om wat te lopen, een flesje water te kopen.
Zo bracht hij de dag
door.
Wat er om hem heen
gebeurde nam hij nauwelijks waar.
Bij het ondergaan van de
zon was hij teruggereden naar de rand van het bos.
Hij had geluisterd naar
het langs denderen van de treinen.
Ging steeds dichter naar
de spoorbaan toe.
“Ik ga het doen, ik ga
het doen, ik ga het doen.”
Het dreunde door zijn
hoofd en hij dreunde zichzelf moed in.
Toch nog even in de auto
gaan zitten.
Hij had een droge mond,
maar nam niet meer de moeite een slok uit de fles water te nemen.
Wat maakte het uit,
straks zou alles voorbij zijn.
De volgende trein moest
het worden.
Inmiddels was het
stikdonker.
Er was geen maan.
Het ging de hele nacht zo
door.
De volgende trein moest
het worden, nee toch niet.
Het aftellen was
begonnen.
Hij wist exact bij welke
tel hij moest springen.
Het dikke, klamme zweet
stond op zijn voorhoofd.
Inmiddels begon het weer
te schemeren.
De ochtenddauw werd
langzaam zichtbaar op de takken, op de bladeren, op de rails.
De volgende trein moest
het worden.
Hij trok zijn hoofd terug
van de rails, ging staan en telde hardop.
Er kwam een vreemde
angstaanjagende rust over hem.
................................................................................
© copyright paul hammelburg 2008