de
wachtkamer
“Goedemorgen.”
“Goedemorgen”, zeggen drie van de vijf mensen terug.
“Wie was de laatste?”, vraag ik rondkijkend.
Een man op leeftijd steekt stil zijn vinger op.
Ik wring mij tussen twee gezette dames op een stoel.
Schuin voor mij staat een tafeltje met tijdschriften.
Bovenop ligt een Nieuwe Revue.
Nou ja, nieuw…
Het is een editie van kort na de Tweede Wereld oorlog.
Er onder liggen een paar half uitgeklede glossy’s en een
Story, die suggereert dat prinses Maxima mogelijk zwanger is van haar
eerste kind.
Ik ben er weer ingetrapt.
Precies op tijd heb ik de wachtkamer betreden, hoewel ik wist dat ik
nog wel een half uurtje thuis had kunnen blijven.
Tegenover mij zit een Oost Europese vrouw meewarig voor zich uit te
kijken.
Plotseling kijkt zij mij aan.
Ik glimlach naar haar.
Zij lacht breed terug.
“Ieke pijn aan hand”, deelt zij mij ongevraagd mee.
Ik knik.
“s Nachts priek, priek, priek, ik niet slapen”,
legt zij nu de gehele wachtkamer uit.
“Carpaal tunnel syndroom”, denk ik, maar dat
houd ik voor mijzelf.
“Dat moet u straks maar aan de dokter vertellen, daar zijn
wij niet voor”, zegt een plissé rok–parelketting pinnig tegen haar.
De Oost Europese vrouw begrijpt haar niet.
“Ieke veel pijn.
Jij kijken?”
Zij steekt haar hand uit naar de plissérok–parelketting.
Deze gaat, alsof zij niets meer gehoord heeft, beledigd naar buiten
zitten kijken.
“Die mevrouw wil u iets laten zien”, zeg ik om het
vuurtje maar eens een beetje op te stoken.
“Het is toch te gek voor woorden”, sputtert zij
zachtjes.
Een bedrukte stilte maakt zich meester van de wachtkamer.
De radio staat op een programma, waarin oude plaatjes gedraaid worden.
“Als ik tweemaal met mijn fietsbel bel, nou dan weet je het
wel, nou dan weet je het wel…”, klinkt het
opgewekt door de ruimte.
Het maakt het uitgebroken stilzwijgen alleen maar groter.
“Wat is het toch oervervelend als je gedwongen wordt naar muziek te
luisteren, waar je geen zin in hebt”, denk ik bij mijzelf.
“Hij neemt wel altijd de tijd voor zijn
patiënten”, zegt de dikke dame, rechts naast mij.
“Dat doet ie”, beaamt de dikke dame links.
“Ja, iedereen roept over hem”, komt van rechts.
“Ik wil geen ander”, van links.
“Maar die assistente vind ik niks”, rechts.
“Ik vind het nogal meevallen”, links.
De deur gaat open.
“Wie is er aan de beurt?”, vraagt de dokter.
Dikke dame rechts staat op.
“Gelukkig”, denk ik.
“Ikke pijn”, zegt de Oost Europese vrouw zachtjes.
“Ja hoor, we weten het”, zegt de plissérok–parelketting namens de hele wachtkamer.
De man die voor mij aan de beurt is kijkt geïrriteerd op maar
zegt niets.
Even lijkt het weer rustig te worden.
Lijkt, want helaas:
“Als de lente komt dan breng ik jou tulpen uit
Amsterdam.”
“Kan dat ding niet uit?”, denk ik terwijl ik rondkijk of er ergens een aan/uit knop te vinden is.
Dikke dame rechts komt de spreekkamer uit.
Lachend zegt zij tegen niemand in het bijzonder: “Vlug
hè, de volgende kan binnen komen.”
De Oost Europese vrouw loopt naar binnen.
“Zo, dat hebben we gehad”, zegt de
plissérok–parelketting tevreden.
De dikke dame links haalt haar schouders op en werpt een minachtende
blik richting parelketting.
“Wat hebben we gehad?”, vraag ik, quasi verbaasd.
“Nou, u begrijpt me toch wel?”, antwoordt zij iets
minder zeker van haar zaak.
Dikke dame links stoot mij grinnikend aan.
“Maar een beetje behoorlijk Nederlands kunnen zij toch wel
leren”, pruttelt zij na.
De stille man keert haar demonstratief de rug toe.
Het valt stil, op de radio na.
Na vijf minuten komt de Oost Europese vrouw naar buiten.
“Ieke naar ziekenhuis”, zegt zij richting
plissé rok–parelketting.
“Nou, het beste dan maar”, zegt
plissérok–parelketting met een Sucrosa gezicht.
“Dank, dank, volgende naar bienen”.
Dikke dame links is aan de beurt.
“Zo, nu nog twee”, denk ik.
Op dat moment komt er een vrouw binnen.
.................................................................
Hoe dit verhaal verder gaat, kunt u lezen in mijn boek.
© copyright paul hammelburg 2008