terug

een voetgangerstunnel in beijing

 

 

De belangrijke straten oversteken in Beijing is een regelrechte poging tot zelfdoding.
Ik kan het niet anders noemen.
Een zebrapad biedt ook al niet zo veel soelaas.
Tenzij er een, van gemeentewege aangestelde, ambtenaar bij staat, uiteraard in uniform, compleet met pet, vlag en fluitje.
Zonder deze beambte is de kans om aangereden te worden op de 'beschermde' overgangen nauwelijks kleiner.
De bestuurders van Beijing hebben deze problemen krachtdadig aangepakt.
Op vele plaatsen in de stad bevinden zich voetgangerstunnels.
Ik maakte er dan ook gretig gebruik van.
In de tunnel was er geen verschil merkbaar tussen dag en nacht.
Beter gezegd: hier heerste altijd de nacht, in alle opzichten.
Op die bewuste avond wil ik oversteken via een tunnel waar ik al eerder door was gekomen.
De beide flanken van de brede trap worden bezet door verkopers.
Met meer of minder enthousiasme prijzen zij hun waren aan.
Meestal verkopen zij dezelfde spullen, als alle handelaren elders in de stad.
Afbeeldingen van Mao op knopen, horloges, beeldjes van Mao, ballonnen in alle vormen en maten,vliegers, oude munten, lichtgevende vliegende schotels en ga zo maar door.
Het lijkt wel of bij elke stap naar beneden de kwaliteit van de uitgestelde goederen afneemt.
Alsof ik bij iedere traptrede dichter de onderwereld van de grote stad nader.
Hoewel er boven een frisse wind waait, is het beneden warm.
Een kunstmatige klamme warmte.
In zo’n grote stad zou je rotzooi verwachten in dergelijke ruimtes, maar niets is minder waar.
Alles is keurig aangeveegd en de tegeltjes worden regelmatig met een boenmachine schoongepoetst.
Een arbeidskracht kost tenslotte niets in dit grenzeloze land.
Geen graffiti, geen affiches.
Het lijkt of de warme lucht heen en weer geslingerd wordt door haastige voorbijgangers die de tunnel in beide richting passeren.
Ik loop verder de trap af en kijk naar de mensen die mij tegemoet komen.
Een oudere man en vrouw komen voorzichtig de trap op, elkaar helpend door hand in hand te lopen.
Drie meisjes, ieder met een map onder de arm, passeren mij giechelend en roepen:
“Hello, how are you?”
Een oude vrouw zit op haar hurken en bespeelt een éénsnarige Chinese viool.

Zij zit op de onderste trede van de trap met haar gezicht tegen de hals van de lange viool aan, die zij rechtop voor zich heeft neergezet.
Onder de viool is het wit van de hars, waarmee zij haar strijkstok heeft bewerkt.
Heel geconcentreerd lijkt zij te luisteren naar de bijzondere klanken die het instrument voortbrengt.
Voor haar staat een blikje met wat muntstukken.
De concentratie op haar gezicht fascineert mij en ik maak een paar foto’s.
Er is geen enkele reactie op het flitslicht.
Als ik even later wat geld in het blikje doet, buigt zij haar hoofd voorover en prevelt iets. Zij is blind.
Haar oren zijn tevens haar ogen.
Naast haar zitten een man en een vrouw.
Zij dragen lompen en kapotte sandalen.
Beide houden zij hun hand op en bedelen onder het uitspreken van voor mij onbegrijpelijke woorden.
Als ik nog eens goed kijk zie ik dat zij niet alleen om geld bedelen.
Tussen hen in staat een enorme plastic tas, die helemaal gevuld is met lege platgetrapte  plastic flessen.
Achter mij loopt een man, die achteloos zijn lege flesje aan de vrouw geeft.
Beide mensen bedanken de man uitbundig, alsof hij zojuist een klomp goud bij ze heeft
achtergelaten.
Hij kijkt niet meer op of om.
Ik stop, zoek een vrij plekje bij de muur en kijk eens om mij heen.
Dus hier krijg ik een voorzichtige blik op de keerzijde van de medaille.
Op de keerzijde van datgene dat nu plaatsvindt in China.
De keerzijde van de explosieve economische groei  van dit land.
Ik kijk naar links.
Ik schrik.
Het lijkt of ik door een venster in een andere wereld kijk.
Op een stukje niemandsland zit een kleine vrouw.
Zij zit een meter voor de muur, vrij van de omgeving.
Zij kan mij niet bereiken , ik kan haar alleen maar zien.
Niet aanraken.
Niemand kan haar aanraken.
Niemand wil haar aanraken.
Alsof zij ieder moment kan opspringen en gaan krijsen of om zich heen slaan, loopt iedereen ruim om haar heen.
Alsof zij stinkt naar verrotting heeft zij een 'no go area' om zich heen geschapen.
Zij zit, juist onder een felle oranje neonlamp in het centrum van het heelal.
Een beetje voorover gebogen, in kleermakerszit.
Ik schat haar een jaar of twintig, misschien jonger, zeker niet ouder.
Op haar schoot ligt een kind.
Ik kan niet zien of het een jongen of een meisje is.
Het kind heeft een waterhoofd, zo afgrijselijk groot, als ik alleen maar op plaatjes in oude leerboeken heb gezien.
Het hoofd, wat eigenlijk een hoofdje had moeten zijn, is net zo groot, zo niet groter, dan de rest van het lichaam van het kindje.
De smalle kin, de kleine mond is machteloos tegen het geweld daarboven.
De opengesperde, naar de hemel gerichte ogen zijn wit.
Slechts een klein stukje van de bovenkant van de pupillen is te zien.
In de medische literatuur wordt dit 'poëtisch' het ondergaande zon fenomeen genoemd.
Boven de ogen komt de schedel als een prehistorische abris in de rotsen naar voren.
Door het gewicht van het hoofd van het kindje ligt het wat achterover.
De vrouw probeert het hoofd met haar rechterarm wat te ondersteunen.
Zij kijkt stil voor zich op de grond.
Om haar heen is het ijselijk stil.
Iedereen die haar passeert houdt op met de dingen waar hij of zij mee bezig was.
Onderlinge gesprekken vallen stil.
.................................................................................

In mijn boek kunt u lezen hoe het verhaal verder gaat.

 


                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                   
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008