geruite
pantoffels
Zij sloften mijn
spreekkamer binnen.
Het was met recht sloffen
te noemen, want de gewrichten wilden niet meer zo best.
Toon liep op stoffen
pantoffels, met zo’n ruitje.
Dat deed hij de laatste
jaren ’s zomers en ’s winters.
Zijn hamertenen waren zo
ernstig geworden, dat zijn voeten niet meer in zijn schoenen pasten.
In de kast had hij nog
twee paar staan.
Eén paar voor door de
week en één paar voor de zondagen, als hij met
z’n Marie naar de kerk ging.
Aan z’n doordeweekse
schoenen deed hij niks meer, maar zijn goeie schoenen poetste hij nog
iedere maand.
Aantrekken was er niet
meer bij.
Onze Lieve Heer zou hem
wel vergeven dat hij nu op zijn pantoffels naar de kerk ging.
“Goeiemorgen, dokter”,
zeiden zij synchroon.
“Goeiemorgen”, zei ik,
terwijl ik opstond om ze de hand te schudden.
Het duurde even voor zij
de spreekkamer doorgelopen waren en bij mijn bureau arriveerden.
“Zo moeder, ga jij hier
maar zitten”, zei hij, zijn vrouw helpend bij het plaatsnemen.
Met wat gesteun nam hij
zelf ook plaats.
“Wat kan ik voor u
doen?”, opende ik het gesprek.
Ze keken elkaar even aan.
Toen nam Toon het woord
en gooide het probleem meteen maar op tafel: “Ze zeggen dat
wij naar een bejaardenhuis
moeten”.
“Zo”, zei ik, “en
wie
zegt dat dan?”
“De buren”, zei Toon met
een zuur gezicht.
“De buren”, herhaalde ik.
Marie zat maar een beetje
voor zich op de grond te turen en frunnikte wat met haar handen.
“En wat vindt u er zelf
van?”
“Wij willen gewoon in ons
huisje blijven”, zei Toon heftig.
“Wij willen helemaal niet
naar een bejaardenhuis, toch Marie?”
Hij keek liefdevol naar
zijn vrouw.
Zij reageerde nauwelijks
en bleef voor zich staren.
“Toch Marietje?”,
probeerde hij nog een keer.
“Ja”, zei Marie zachtjes.
“Wat bedoelt u?”, vroeg
ik.
“Nou, wat Jan zegt.”
Voor het eerst keek Marie
kort naar mij, wat langer naar Toon en toen weer naar de grond.
Na een nieuwe stilte zei
Toon: “Och, we hebben niet zo veel nodig.”
“We doen eigenlijk alles
samen.
Het is jammer dat de
kruidenier, vlak bij, gestopt is.
Dat wel”, vervolgt Toon
met een peinzende blik.
“Dan gingen we samen
boodschappen doen.
Dat vond Marie wel een
leuk uitje”
Ik knikte begrijpend.
“De buren hebben het te
druk om voor ons wat boodschappen mee te nemen.
Die werken allebei, hè”,
legde Toon mij uit.
“Hun boodschappen worden
thuisgebracht met zo’n grote vrachtwagen.
Dat bestellen ze met de
computer of zoiets.
Ik snap er niks van”,
klonk het hopeloos.
“We hebben niet eens een
computer, hè Marie?”
Marie zat geconcentreerd
naar haar knokige handen te kijken, alsof zij ze voor het eerst zag.
Omdat zij niet reageerde,
herhaalde Toon harder: “Ik zee, we hebben geen computer,
hè meisje?”
“Ja”, zei Marie zachtjes.
“Hebben we ook niet
nodig”, verduidelijkte Toon aan mij.
“Ik ga twee keer in de
week op de fiets naar het dorp en haal de boodschappen.”
“Gaat dat nog goed, met
de fiets naar het dorp?”, vraag ik Toon.
Toon zuchtte: “Het wordt
wel steeds moeilijker…
Ik zou zo graag nog een
keertje met Marie over de markt lopen, maar dat gaat niet
meer.”
Terwijl hij deze laatste
zin uitsprak, brak zijn stem een beetje.
Hij probeerde zijn
verdriet te verbergen door snel
zijn
zakdoek uit zijn broekzak te halen en luidruchtig zijn neus te
snuiten.
“We wonen al bijna
vijftig jaar in ons huisje.
Wij willen daar niet weg,
toch Marietje?”
“Ja”, zei Marie nu
direct.
Ze keek naar Toontje, die
zijn tranen probeerde weg te vegen.
“Ach, jongen toch”, sprak
zij zachtjes en schudde haar hoofd.
Het duurde niet lang,
daarna zakte zij weer weg in haar eigen wereld.
“Hoe gaat het verder met
het huishouden?”, vroeg ik mij weer tot Toon richtend.
“Dat doen we samen”, zei
hij.
“Dat gaat goed.
Ik zeg bijvoorbeeld,
Marietje wil jij de vensterbank schoonmaken.
Ik help haar dan de
planten op de tafel te zetten en dan neemt Marie de vensterbak af en
dan help
ik haar weer alles terug te
zetten.”
“En dat lukt allemaal?”,
vroeg ik opnieuw.
“Ja hoor, alleen het
zware werk doe ik zelf, zoals stofzuigeren en zo.”
Hij sprak nu op een iets
te opgewekte toon.
“Wat bedoelt u met en
zo”, vroeg ik door.
“Het douchen gaat Marie
wat moeilijker af, dus daar help ik haar mee.
Dat vind ik helemaal niet
erg, hè Marietje?”
“Ja”, antwoordde Marie,
zonder de blik van haar handen af te wenden.
...................................................................
Hoe dit verhaal verder gaat, kunt u lezen in mijn boek.
© copyright paul hammelburg 2008