terug

het jachtgeweer

 

Als ik het niet al te druk had, vond ik een visite rijden naar Marie Giesels altijd een prettige aangelegenheid.
Ik reed dan heerlijk de stad uit en de weilanden in.
Dat had toch iets aparts, iets heel rustgevends, zeker voor een stadsarts.
Hoe en waarom de familie ooit bij mij in de praktijk was gekomen, ik had er geen idee van.
Zij woonde een heel eind buiten de stad bij haar kinderen op het erf.
Voordat ik het terrein kon betreden moest ik twee woest blaffende waakhonden trotseren.
Haar zoon woonde met zijn gezin in de oude boerderij, waar eens Marie Giesels de scepter had gezwaaid.
(“Ach, meneer den dokter, zeg maor Marie, want da doet iedereen.”)
Haar man was lang geleden overleden.
Hij had een ouwe sok met centjes achtergelaten voor zijn vrouw, zodat deze geen financiële zorgen zou hebben, integendeel.
Toch had zij het boerenbedrijf op kleine schaal voortgezet door wat koeien te verzorgen en groenten te verbouwen.
Marie leefde sober en stilletjes voort.
Geleidelijk aan werd Marie te oud om te werken.
Geert, haar zoon, wonend aan de rand van de stad, moest steeds vaker bijspringen omdat moeder het werk niet meer af kreeg.
Marie had het moeilijk.
Zij voelde dat haar lijf niet meer kon wat haar geest zo graag wilde.
De grond, waar zij altijd had geleefd, had zij intens lief.
Het deed haar verdriet dat zij de dieren en het land niet meer kon geven wat het behoefde.
Steeds meer begon zij te denken aan het einde.
“Ach, meneer den dokter, eigenlijk wil ik hier alleen weg tussen zes planken”, zei zij meerdere malen tegen mij.
Geert betrok met zijn gezin de boerderij, zodat deze ‘in de familie’ bleef.
Op het erf stond achteraf nog een houten vervallen huisje.
Het huisje stond echt achteraf, achter een paar appelbomen.
Aan de voorzijde had het twee raampjes, die een blik gunden op de mooie groene weilanden.
Samen met een paar kameraden knapte Geert het huisje op.
Er kwam water, elektriciteit, telefoon en een gastank voor de kachel en het fornuis.
Marie berustte er in en trok zich terug in het houten huisje.
Ze nam haar verleden en herinneringen met zich mee.
Geert had het huisje volgepropt met de meubels, die moeder mee wilde nemen.
Hij had een seniorenbed voor haar gekocht.
Met moeite deed Marie afstand van het ledikant waar zij zo lang in had geslapen, eerst met haar man en nu al heel lang alleen.
Ook het jachtgeweer moest mee.
Het stond altijd geladen in een hoek van de kamer.
“Je kunt nooit weten, meneer den dokter.”
Het dressoir stond vol met antieke fotootjes.
Pontificaal in het midden stond een foto van haar man.
Aan de muur hing een grote foto van haar moeder.
Een trotse vrouw met een prachtige Brabantse poffer.
Televisie had Marie nooit gehad en hoefde zij ook nu niet, zo had zij haar zoon laten weten.
Geert had nog voorgesteld om gewoon in te komen wonen, maar daar had Marie voor bedankt, mede gezien het feit dat zij moeilijk door één deur kon met haar schoondochter.
Zij verzekerde mij: “Nee, meneer den dokter, da zou echt heulemaol niks worre.”
Marie Giebels was altijd een heel zelfstandig mens geweest, die zich niets liet wijsmaken.
De belangrijke beslissingen in het leven had zij altijd wijs en tegelijk simpel genomen.
“Zij hebben hun leven, en ik het mijne.”
“Ik kom daar niet”, zei Marie wijzend naar de oude boerderij, “En zij hier niet.”
Marie belde nooit zelf.
Als een visite aangevraagd werd dan was het Geert die belde.
Kwam ik dan bij Marie kijken, dan was het steevast: “Ach, meneer den dokter, das toch nergens voor nodig!”
“Die jongen ook altijd”, volgde dan gemaakt boos.
Ik sprak met Marie af één keer in de zes weken bij haar langs te komen.
Voor de vorm stribbelde zij wat tegen, maar ik kon merken dat zij er maar al te blij mee was.
Geleidelijk aan werd Marie moeilijker ter been, vooral haar knieën lieten haar in de steek door ernstige arthrose.
“Reumatiek, meneer den dokter, die reumatiek zit overal.”
“Ik vuul as ut gaat waaie, ik vuul as ut gaat regene, ik vuul as ut gaat vrieze”, zei zij, zittend bijna op de snorrende gashaard.
“En als ik niks meer kan, dan mag het voor mij afgelopen zijn”, voegde zij er aan toe.
“Ik hoop dat ie me komt haole en als ie me vergeet, dan help ik um wel een handje.”
Marie werd steeds stiller, scharrelde soms nog een beetje om haar huisje, veel verder kwam zij niet meer.
Op een morgen wordt ik rond half zeven gebeld.
Het is Geert.
Hij klinkt ongerust.
“Er is iets met moeder.”
“Zij zegt dat zij zichzelf in de buik geschoten heeft met het jachtgeweer.”
“Ik kom.”
“Ik durf niet te kijken”, zegt Geert.
“Houdt de honden binnen”, heb ik nog de tegenwoordigheid van geest te zeggen ,voordat ik neerleg.
Nadat ik snel wat kleren heb aangetrokken, rijd ik richting de boerderij.
Ondanks een lichte spanning over wat ik dadelijk aan zal treffen, geniet ik toch weer van de prachtige aanblik van de weilanden.
De zon is al uitgeslapen en de ochtenddauw hangt laag boven de weilanden.
De koppen van de koeien steken eigenwijs boven het dauwtapijt uit.
“Koeien in schaapskleren”, gaan mijn gedachten.
.............................................................................

Hoe dit verhaal verder gaat, kunt u lezen in mijn boek.

                                                                                                                                                                


                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008