het meisje
met de kristallen bol
Er
was eens….
Zo beginnen alle
sprookjes en het zou niet goed zijn als dat niet zo was.
Dus dit sprookje begint
ook met:
Er was eens…. een meisje
en zei heette Gwendoline.
Gwendoline woonde alleen,
in een groot donker bos.
Zij woonde daar al haar
hele leven.
Hoe lang dat was, wist
zij niet.
Wanneer zij geboren was,
wist zij ook niet.
Opeens was zij er gewoon,
in dat grote donkere bos.
Gwendoline deed de hele
dag niets, behalve haar goudblonde lange haren borstelen en in haar
kristallen bol turen.
Haar golvende lokken
reikten tot haar enkels, dus als zij borstelde was dat niet zo maar in
een paar minuutjes klaar.
Overal waar zij was, had
zij haar borstel en haar kristallen bol bij zich en als het schaarse
zonlicht tussen de takken door
viel, leken haar glanzende blonde lokken licht te geven.
Het was een prachtig
gezicht, zo’n mooi meisje met haar ernstige gezichtje en het
goudglanzende haar dat in golven tot op
haar enkels viel.
Als Gwendoline klaar was
met borstelen , zette zij haar kristallen bol voor zich.
Eerst keek zij naar de
bol zelf, om na korte tijd steeds dieper in de bol te kijken.
Dat kon uren duren tot
zij opschrok uit haar getuur en dan maar weer begon met borstelen.
Toch voelde Gwendoline
zich niet alleen.
Of blij.
Of verdrietig.
Of angstig.
Gwendoline voelde
eigenlijk helemaal niets.
Zij had het tot een ware
kunst verheven om steeds dieper in de bol te staren.
Om alles goed te zien had
Gwendoline een plekje gezocht, waar zij haar bol pal in de zon kon
zetten.
Voor haar mooie ogen speelde
zich dan in de diepte van het kristal wonderlijke taferelen af.
Taferelen, die zij niet
begreep.
Taferelen, die zij niet
kon voelen.
Zij kon ze slechts zien.
Zij zag andere mensen,
wezens die er net zo uitzagen als zij, maar toch ook weer niet.
Zij zag bomen, die ze
niet kende, zag dieren, die zij nooit eerder had gezien.
Gwendoline tuurde steeds
dieper in haar kristallen bol.
Steeds dieper, steeds verder.
Zij kneep haar mooie ogen
tot smalle spleetjes.
En toen, op die
bijzondere dag, toen merkte zij dat ze niet meer hoefde te turen.
Gwendoline opende haar mooie
ogen en merkte dat zij door een onzichtbare kracht naar binnen werd gezogen.
Eerst zachtjes, alsof zij
geblazen werd door een zachte bries.
Al spoedig ging het veel
sneller en tenslotte werd zij met kracht in de kolkende diepte gezogen.
Alles werd zwart en
draaide om haar heen.
Haar goudblonde lokken
zwaaiden om haar hoofd.
Geleidelijk nam de storm
weer af in kracht.
Het werd weer een zachte
verkoelende bries en alles werd rustig om haar heen.
Tot ook de bries was
verdwenen.
Het was nu stil,
doodstil.
Alles werd nu duidelijk
voor haar.
Gwendoline woonde
voortaan in haar kristallen bol.
Ze vond het even een
beetje gek, maar ja, alles went.
De glazen bol was van
helderste kristal en zo groot dat zij net niet bij de wand kon.
Als zij bewoog, bewoog de kristallen bol met haar mee.
Alles wat zich in de
wereld afspeelde gebeurde buiten haar glazen bol.
Gwendoline bekeek het
alsof zij er niet bij hoorde, een vreemde was.
Als het regende werd zij
niet nat en niemand kon haar aanraken.
De jaren kwamen en de
jaren gingen.
Het leven in het grote donkere
bos ging door, maar het maakte geen verschil voor Gwendoline.
Zij zat toch alleen maar in haar
glazen bol en borstelde haar goudblonde lokken, die tot op haar enkels
reikten.
De mensen om haar heen
begonnen het een beetje raar te vinden.
Zij begonnen over
Gwendoline te praten.
“Wat is het toch een vreemd
meisje”.
“Ze lijkt geen emoties,
geen gevoel te kennen”.
“Ze lacht nooit, ze huilt
nooit, ze is niet echt”.
Er werd een vergadering belegd
door de plaatselijke Vereniging tot Behoud en Herstel van Gevoelens, de
V.B.H.G.
De voorzitter had de open
plek in het bos gereserveerd en vrijwel alle leden waren aanwezig.
Er heerste een gedrukte
stemming.
Bijna zonder uitzondering
hield het de mensen bezig:
“Hoe zit het met de
gevoelens van Gwendoline?”
Na een heftige
interpellatievergadering kwam men tot een eensluidende conclusie.
Een afvaardiging van het
bestuur van de V.B.H.G. zou een bezoek gaan brengen aan Gwendoline en
haar deelgenoot maken van
de onrust die er bestond onder de leden.
Zo gezegd, zo gedaan.
Gwendoline zat haar
goudblonde haren te borstelen, toen de drie heren van het bestuur
achter elkaar kwamen
aangemarcheerd.
Voorop de voorzitter,
daar achter de vicevoorzitter en daar achter de vicevicevoorzitter.
“Goedemiddag, Gwendoline”,
zei de voorzitter.
“Goedemiddag, Gwendoline”,
zei de vicevoorzitter.
“Middag, Gwendoline”, zei
de vicevicevoorzitter.
“Dag heren van het
bestuur van de V.B.H.G.”, antwoordde Gwendoline.
Toen het even stil bleef
en de heren elkaar bleven aankijken, vervolgde ze:
“Wat kan ik voor u doen?”
De voorzitter nam het
woord.
“Wij komen namens het
bestuur en eigenlijk namens de gehele vereniging om eens met je
praten”.
Gwendoline keek de heren
uitdrukkingsloos aan.
....................................................................
Hoe dit verhaal verder gaat, kunt u lezen in mijn boek.
© copyright paul hammelburg 2008