le vieillard
Zij waren altijd met z’n
tweeën geweest.
Hij en z’n broer.
Zijn hele leven had hij
geleefd op dezelfde wijze.
Iedere dag leek op de dag
van gisteren.
Behalve de zaterdag, want
dan ging hij naar de markt in het stadje Sarlat, op de fiets.
Niet dat zijn broer en
hij bij elkaar woonden.
Zijn broer had vanaf zijn
dertigste in een klein huisje in het bos gewoond en hij, Vincent,
woonde in een vervallen boerderij
langs het kronkelweggetje.
Soms zagen zij elkaar
dagen niet.
Als het te lang duurde
zochten zij elkaar even op, gaven elkaar een hand en bespraken de
dagelijkse zaken.
Zo bestond er een
onuitgesproken regel.
De ene keer ging Vincent
naar zijn broer, de andere keer kwam zijn broer bij hem.
Zijn broer was altijd erg
achterdochtig geweest, van kinds af aan.
De laatste jaren had dit
extreme vormen aangenomen.
Zodra iemand zijn huisje naderde
en hij zag dat het niet zijn broer was, pakte hij zijn jachtgeweer en hield het gericht op
de bezoeker tot deze weer was vertrokken.
In het dorp werd
gefluisterd dat de twee broers waarschijnlijk wel veel geld zouden
hebben.
Niet op de bank, maar
verstopt in hun huisjes.
Onder hun matras of in
een stenen pot.
Vincent trok zich niets
aan van die praatjes, maar zijn broer hulde zich in stilzwijgen.
Zo verliep hun rustige
leventje hier in de Périgord noir, in de Dordogne.
Opwindende zaken speelden
zich zelden af.
De zon ging iedere dag
onder met de zekerheid dat zij de volgende dag weer op zou komen.
Tot de dag dat het anders
ging dan anders.
Vincent had zijn broer al
een dag of vijf niet meer gesproken.
Het was toch de beurt aan
zijn broer om te komen.
Toen ook de volgende dag
niemand het kronkelweggetje kwam afgelopen, besloot Vincent van de regel af te wijken.
Hij pakte zijn stok en
vertrok richting de heuvel, waar het huisje van zijn broer zich bevond.
Het lopen ging steeds
moeilijker en zijn rug werd steeds krommer.
“Maar dat hoort bij het
leven”, zo bedacht Vincent zich onderweg.
“Iedere dag heb ik meer
tijd nodig voor de dingen die ik doe”.
Vincent liep de hem zo bekende
weg van twintig minuten, berg op.
Toen hij het huisje van
zijn broer in beeld kreeg, stopte hij om even op adem te komen.
Bij het huisje van zijn
broer was het donker en stil.
De zon kon hier niet
komen.
Het was hier koeler en
vochtiger dan bij zijn boerderij.
Het huisje werd volledig
overschaduwd door een dicht bladerdak.
Langs de muur aan de
zuidkant groeiden de paddenstoelen weelderig.
In de verte hoorde
Vincent een uil roepen.
Het gordijn hing voor het
raam, maar dat was niets bijzonders.
“Hij heeft zijn gordijn
altijd dicht”, bromde Vincent.
Vincent duwde tegen de
deur.
Deze gaf niet mee.
Vincent draaide aan de
grote ijzeren ring, die als klink dienst deed.
Op slot.
De ongerustheid, die
zich ongemerkt van hem meester had gemaakt, had hem nu in een wurgende greep.
“Hé, broer, doe eens
open”, riep hij luid, maar zonder overtuiging.
Zijn stem klonk schor,
mogelijk omdat hij deze zelden gebruikte.
Geen reactie.
Vincent probeerde langs
de rand van het gordijn naar binnen te gluren.
Donker, niets bijzonders
te zien.
Hij liep om het huisje
heen, zijn evenwicht bewarend met behulp van zijn lange stok.
Geen teken van leven.
Vincent liep het
schuurtje in en kwam even daarna weer naar buiten met een stuk verroest
ijzer.
Bij de voordeur zette hij
zijn stok tegen de muur en wrikte het ijzer tussen de deurpost en de
deur.
Hij begon aan het ijzer
te trekken.
Het kostte Vincent
zichtbaar veel moeite.
Plotseling vloog de deur
met gepiep en gekraak open.
Het schaarse licht viel
naar binnen.
Op de ongeverfde tafel
met de drie stoelen, op het bed, op het krakkemikkige keukenblok, en op
de vooroverliggende figuur
naast de eettafel, op de grond.
“Broertje, mon pauvre!”,
gilde Vincent.
Hij liep op zijn broer
toe, voelde aan zijn hoofd, voelde aan zijn hand.
IJskoud.
Langzaam drong het tot
Vincent door dat zijn broer dood was.
Hij trok een stoel naar
zich toe en ging voorzichtig zitten,
zijn ogen onophoudelijk gericht op het lichaam van zijn dode
broer.
Steeds verder boog hij
naar voren en begon toen te huilen.
Hij huilde en huilde,
soms zachtjes snikkend, dan weer klagelijk schreeuwend.
Tranen druppelden op de
arm van de dode man.
Weer pakte hij de hand
van zijn broer, om zich daarna te realiseren dat het echt zo was.
Vincent was nu helemaal
alleen, had niemand meer.
Zo bleef hij zitten en
rouwde.
De begrafenis was kort en
sober.
Uit piëteit was het dorp
uitgelopen naar de kleine ommuurde begraafplaats.
Vincent bracht zijn broer
naar het graf, vlak naast dat van zijn moeder.
De pastoor liep voorop.
Daarachter liepen zes
sterke mannen uit het dorp, met de vurenhouten kist.
Stuk voor stuk zagen zij
er warm en bezweet uit, kwamen waarschijnlijk zo van het land om dit
klusje even te klaren.
Vincent liep achter de
kist, alleen, alsof er een denkbeeldige cirkel om hem heen was
getrokken, waarbinnen niets en
niemand zich mocht begeven, behalve zijn verdriet.
Hij had zijn lange stok
bij zich, wilde niet ondersteund worden, ook al leek hij nog krommer te
lopen dan voorheen.
De dorpelingen volgden
schoorvoetend op eerbiedige afstand.
Toen hij een schepje zand
op de kist gegooid had, draaide hij zich om en verliet zonder verder op
of om te kijken de
begraafplaats als eerste.
Hij sjokte naar huis en
nam zich voor niets aan zijn leven te veranderen.
Vincent bleef zijn stukje
land bewerken.
De opbrengst bracht hij
zaterdags naar de markt.
Achter op de fiets bond
hij zijn groentekistje met drie artisjokken en twee komkommers.
Hij trok een oud
colbertje over zijn overall aan en stapte met moeite op zijn fiets.
Heuvel af ging nog wel,
maar heuvel op moest hij afstappen en zijn fiets en oude lijf naar
boven duwen.
Anderhalf uur heen en twee
uur terug.
Fietsend langs de route
national.
Het verkeer joeg en
scheurde langs hem heen, alsof hij niet bestond.
Vincent was er aan gewend
en trok zich er niets van aan.
Op de markt had hij zijn
vaste ‘stekkie’.
Hij zette zijn fiets, net
als anders, tegen de muur.
Pakte zijn kistje met
groente en plaatste het voor zich op het trottoir.
Toen pas groette hij zijn
beide buurmannen.
Met een klein gebaar
wenkte hij ze bij hem te komen en gaf hen beiden een hand.
Het onheil dat Vincent
was overkomen, maakte veel indruk op hen.
Dat lieten zij dan ook
duidelijk aan hem merken en gedurende enkele minuten hadden zij slechts aandacht voor Vincent en
niet voor hun potentiële klanten.
Integendeel, ook zij
betuigden hun deelneming en binnen de kortste keren stonden er tien man
om hem heen.
Nadat alle details waren
besproken, nam ieder zijn plaats weer in en pakte de draad van het
gewone leven weer op.
Toen hij Vincent
passeerde, keek de marktmeester, zoals gewoonlijk, de andere kant op.
Het marktgeld zou bijna
meer zijn dan de opbrengst van zijn beetje handel.
Vincent verkocht zijn
artisjokken en komkommers.
Hij wilde van de
opbrengst wat courgettes kopen bij zijn buurman.
Het kan de helft minder
zijn, bedacht hij zich.
De buurman stond er op
dat hij de spulletjes zo meenam.
Afrekenen mocht hij niet.
Vincent knikte als
bedankje, pakte zijn kistje, nu gevuld met courgettes en bond het weer
op zijn fiets.
De terugtocht kon
beginnen.
Halverwege zou hij even
stoppen bij het café voor zijn wekelijkse Pastis.
Zodra de kroegbaas hem de
heuvel op zag zwoegen met zijn fiets naast zich, pakte hij de fles en schonk vast voor hem in.
Het zou nog vijf minuten
duren voordat Vincent het café zou binnenkomen, dus liet hij
het blokje ijs nog even wachten.
Het duurde zeven minuten
in plaats van vijf en Vincent zag er meer bezweet uit als anders.
Zijn verweerde kop stond
ook somberder dan de kroegbaas gewend was.
Vincent vertelde zijn
verhaal aan de kroegbaas, terwijl hij zijn ogen gericht liet op zijn
glas.
Af en toe duwde hij zijn
alpino wat heen en weer over zijn hoofd.
Toen hij wilde afrekenen,
hief de kroegbaas zijn handen omhoog en weigerde zijn geld.
Vincent knikte, bromde:
“Merci”
en zette zijn reis voort.
Aangekomen bij zijn
boerderij zette hij zijn kistje binnen, trok een stoel naar buiten en
ging
zitten.
Hij voelde zich moe, maar
anders dan de keren daar voor.
Zijn moeheid ging verder,
hij voelde zich moe van het leven.
Niet dat hij nadacht over
de zin van het bestaan, welnee, daarvoor was zijn leven altijd te vanzelfsprekend geweest.
Zijn moeheid maakte hem
bewust van de eindigheid van zijn bestaan.
Ook al zou de zon straks
ondergaan, ook al zou deze morgen weer verschijnen.
..............................................................................
© copyright paul hammelburg 2008