terug

met een knipoog

 

In juni 1973 begon ik mijn coassistentschap interne geneeskunde.
Ik kwam in een gerenommeerd ziekenhuis op een gerenommeerde afdeling.
De kwaliteit van zo’n coassistentschap werd voor een groot deel bepaald door je leermeester, de internist en zijn assistenten, die in opleiding waren voor internist.
Ik trof het op alle fronten.
Voor vele coassistenten waren het de eerste ervaringen met ernstig zieke mensen en ook mensen die spoedig zouden gaan sterven.
De afdeling bestond uit meerdere zalen met op iedere zaal rond de twintig patiënten.
Van privacy was nog niet veel sprake.
Iedereen had toen nog het voorrecht te kunnen delen in vreugde en verdriet van de ander.
Het was hard werken, zowel voor de verpleging, als voor de artsen.
Op één van de zalen lag Paulien.
Zij was, kort voordat ik als coassistent op de afdeling kwam, opgenomen.
Paulien was naar de huisarts gegaan in verband met moeheid.
Deze vond afwijkingen in het bloed en vergrote klieren.
Vanaf de polikliniek was zij rechtstreeks opgenomen op de afdeling.
Inmiddels waren er allerlei vervelende onderzoeken geweest en het moment om de conclusies mee te delen was aangebroken.
De assistent zou een gesprek met haar hebben en, als Paulien daar geen bezwaar
tegen zou hebben, mocht ik er bij zijn.
Het zou een nuttig leermoment zijn, zoals de assistent zich uitdrukte.
Paulien was een stille, wat magere, bleke vrouw.
Er kwam niet vaak bezoek voor haar.
Zij had geen partner en geen kinderen.
Hoewel zij niet veel zei, was wat zij zei zonder uitzondering in de roos.
Ik voelde vanaf het eerste moment sympathie voor haar.
Alle onderzoeken had zij gelaten over zich heen laten komen.
Niet dat zij niet liet merken dat zij er een hekel aan had, integendeel.
“En dokter, wat heeft u vandaag voor leuke onderzoeken op uw lijstje staan?”
Daarbij lukte het haar ook nog een vermoeide glimlach op haar gezicht te toveren.
Om haar bed waren kamerschermen geplaatst om de illusie van privacy toch wat te vergroten.
Wij gingen ieder aan een zijde van het bed zitten.
Paulien zat rechtop in bed en hoestte wat.
Zij keek afwisselend naar de assistent en naar mij en bestudeerde onze gezichten.
Toen het even stil bleef, zei zij op een rustige en zachte toon: “U komt mij slecht nieuws brengen.”
Weer keek zij om de beurt naar de assistent en naar mij.
Ik had het wel kunnen uitschreeuwen: “Ja, vreselijk, wij komen met een onheilstijding!”
Maar ja, ik had nog een hoop te leren.
“Het geeft niet, vertelt u het mij maar”, hielp zij de assistent.
De assistent begon: “U weet waarom de huisarts u doorverwezen heeft en waarom u opgenomen bent.
U weet dat er afwijkingen gevonden zijn in uw bloed en daarom hebben wij onder andere ook beenmergpuncties gedaan.
Uit het onderzoek blijkt nu dat u een ernstige ziekte van het bloed heeft.”
“U bedoelt eigenlijk te zeggen dat ik dood ga?”, probeerde Paulien opnieuw.
De assistent negeerde de vraag in eerste instantie en vervolgde zijn betoog.
“Wij hebben tegen deze ziekte geen medicijnen, waardoor u zult genezen.
Uiteraard zullen wij alles doen om het proces te remmen.”
“Lieve dokter, zegt u het nu gewoon, laat mij niet in onzekerheid!”
De assistent moest even slikken en zij, terwijl hij naar beneden keek: “Ik ben bang dat u niet lang meer te leven heeft.”
Het was doodstil, binnen de kamerschermen, maar ook daarbuiten.
Paulien verbrak na een tijdje de stilte: “Ik begrijp het.”
De assistent knikte en nadat Paulien een tijdje recht voor zich had gekeken, begon zij te glimlachen.
Ik betrapte ons er op dat wij er bij zaten als geslagen honden.
“Het moet ook wel moeilijk voor u zijn om zo’n boodschap te brengen.”
Hoe was het mogelijk, zij die ging sterven, had medelijden met de brenger van het slechte nieuws!
“Ja, dat valt niet mee”, stamelde de assistent.
“Als u het niet erg vindt, zou ik nu graag een tijdje alleen zijn.
Ik wil nadenken, ik wil huilen.
Laat u de schermen maar om het bed staan.”
Wij lieten haar en verdwenen achter de schermen.
Ik had het gevoel alsof ik een heilige plaats verliet.
De assistent ging over tot de orde van de dag.
Hij moest wel, maar ik zag aan hem dat hij er niet helemaal bij was.
De volgende dag was er ‘grote visite’ op de afdeling.
De ‘witte vloed’ trok dan voorbij.
De internist met de assistenten en coassistenten trokken samen van bed naar bed, van patiënt naar patiënt.
De medische status van iedere patiënt werd besproken.
Afhankelijk van de internist werd er met of over de patiënt gesproken.
Bij Paulien aangekomen was er kennelijk weinig nieuws te melden, want de internist wenste haar een goedemorgen en liep door.
In het voorbijgaan gaf ik haar een knipoog.
Toen ik ’s middags weer op de zaal kwam, zat Paulien naast het bed in een gemakkelijke stoel.
Zij wenkte mij.
“Ik wilde je even bedanken voor vanmorgen”, zei zij.
“Hoezo?”, vroeg ik verbaasd.
“Voor die knipoog, daardoor voelde ik mij een stuk minder alleen.”
Ik wist niet wat ik moest zeggen.
Wel was ik overtuigd van het feit dat zij mij op iets waardevols wees.
Sinds die dag ging ik dagelijks een kwartiertje bij haar zitten.
Het waren helemaal niet van die zware gesprekken.
Haar toestand ging snel achteruit en lang spreken was vermoeiend voor haar.
Mijn coschap was bijna afgelopen en ik zou de week daarop aan mijn volgende coschap neurologie beginnen.
Het was vrijdagmiddag tegen vijf uur.
.....................................................................................

In mijn boek kunt u lezen hoe het verhaal verder gaat.
                                                                                                                                          
                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                    
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008