michel, de
landloper
Tijdens één van
mijn wandelingen zat ik in de berm van de
weg wat te rusten, een hapje te eten en een slokje te drinken.
Het was tenslotte etenstijd.
Ik genoot van een stralende dag, echt
Dordogne- weer.
Een staalblauwe hemel met hier en
daar een plukje witte
watten, die als enig doel hadden het decor van de Périgord Noir te
verfraaien.
In de schaduw van een paar
zoetgeurende acacia’s vond ik een
koel plekje.
Het weggetje, waarop ik liep, werd
omzoomd door rijk
bloeiende bermen, waar het gras zo hoog stond, dat je de eigenlijke weg
nauwelijks meer kon zien.
De glooiende weilanden werden
afgewisseld door diep
omgeploegde akkers, waardoor het frisse groen hand in hand ging met de
roodbruine teint van
de omwoelde aarde.
Donkere bossen en beige- grijze
rotspartijen beschermden de bouwlandjes
tegen onverhoedse aanvallen van de wind.
Achter mij stroomde een beekje, dat
losjes door het land
kronkelde.
Het ruisen van het water beloofde
voor eeuwig door te gaan
en werd aangemoedigd door luid kwakende kikkers.
Vogels en krekels zorgden voor
passende achtergrondmuziek.
In de verte zag ik een klein stipje,
niet meer dan dat.
Mijn ogen bleven gefixeerd op de
stip, die langzaam, heel
langzaam groter werd.
Dat het een mens was, dat kon ik nu
wel zien, want er zaten
armen en benen aan.
Ook begon ik wat kleur te
onderscheiden, wat rood, wat blauw,
een beetje wit.
Het bleek een man te zijn met een
witte flaphoed, geruit
rood houthakkershemd en een helblauwe werkbroek.
Hij had lang grijs haar, een lange
witte baard en zijn huid
was bruin verbrand.
Toen hij naderbij kwam, werden boven
zijn baard, een stevige
neus en kleine, wat bollige pretoogjes zichtbaar.
Zijn ogen waren omgeven door rimpels
en rimpeltjes, die alle
leken te wijzen naar het centrum van plezier, zijn twinkelende ogen.
Het bleek Michel, de landloper te
zijn.
Hij tikte met zijn stok op de grond.
Tik, stap, tik, stap, tik, stap, tik,
stap.
Toen hij mij passeerde, zwaaide hij
met zijn flaphoed.
“Bonjour”, riep
hij vrolijk.
“Bonjour”, riep
ik terug, “et bon route”.
“Merci”,
schreeuwde hij, zonder om te kijken.
Geleidelijk aan werd zijn gestalte
kleiner, tot hij
uiteindelijk als een stipje in de verte verdween.
Michel was een bekende, zo niet een
beroemdheid in deze
streek.
Michel kende elk weggetje, ieder pad,
elk gehucht en ieder
stadje in de Dordogne en de streken daar omheen en iedereen kende Michel.
Was hij niet in de Dordogne, dan was
hij in de Lot of in de
Corrèze, maar altijd was hij onderweg.
Hij doorkruiste het gebied in een
vast wandeltempo.
Of hij nu heuvel op of heuvel afliep,
aan zijn tred was het
niet te merken.
Tik, stap, tik, stap, tik, stap, tik,
stap.
Michel werd altijd vergezeld door
zijn trouwste kameraad,
zijn stok.
Het leek een gewone stok, een rechte
dikke tak, gevonden
langs de kant van de weg, maar er was iets mee aan de hand.
Zoals aan alles wat Michel betrof,
zat ook hier een verhaal
vast.
Michel was niet altijd zo’n
levenslustig mens geweest.
Vroeger was hij, wat je noemt, een
zwartkijker, een
azijnpisser, een aards pessimist.
Dat was allemaal in
één klap veranderd, nadat hij zijn maatje,
zijn stok, ontdekte.
Hij had hem gevonden in Marquay, een
klein stil dorpje, dat
hij op een zomerse dag passeerde.
Het was een lange, niet al te steile,
klim geweest totdat hij
het kleine kerkhofje van Marquay bereikt had.
Tegen de muur van de begraafplaats
stond een stok.
Michel was eigenlijk al
gepasseerd, toen het tot hem
doordrong dat daar een stok stond.
Hij weifelde, keek eens rond, liep
een stukje terug en nam de
stok in zijn hand.
Er was iets wonderlijks met die stok,
maar Michel kon niet
precies zeggen wat het was.
Michel bestudeerde de stok uitgebreid.
Behalve de knoesten, was de stok gaaf.
Vanaf het moment dat hij de stok
aanraakte, had hij een
gelukzalig gevoel.
Het zou wel verbeelding zijn en hij
zette de stok weer tegen
de muur.
De zon begon inmiddels in ijltempo te
zakken.
Zoals in ieder dorpje wat hij
passeerde, ging hij ook hier
even de begraafplaats op om zijn oude vrienden en vriendinnen te groeten.
Nadat hij het smeedijzeren hek had
geopend, nam hij eerbiedig
zijn witte hoed af en liep over de begraafplaats.
Zijn glimmende kale schedel werd
zichtbaar en de lange haren
aan de zijkant van zijn hoofd hingen als gordijntjes naar beneden.
Hier en daar bleef hij even staan en
prevelde een gebedje,
zette wat plantjes recht en verplaatste de kleurige kunstbloemen, waarmee bijna alle
Franse graven zijn
vergeven.
Toen hij het hek achter zich gesloten
had en zijn hoed weer
op zijn hoofd had gezet, zag hij die stok weer.
“Maar die stok stond
daarnet toch een stuk verderop tegen de
muur?”, vroeg Michel zich hardop af.
De stok stond nu aan de andere kant,
vlak naast het hek.
Hij keek om zich heen of hij iemand
zag, maar het was
doodstil en het dorp verderop leek in diepe rust.
Michel pakte de stok opnieuw vast en
zag dat er nu een
uitgesneden klavertje vier zichtbaar was.
De eerste keer had hij dat niet
gezien, maar zou hij er
mogelijk overheen gekeken hebben, zo vroeg hij zich af.
Weer dat heerlijke gevoel, dat hij
niet onder woorden kon
brengen.
Het kostte hem moeite de stok weer
terug te plaatsen, maar
hij nam niet wat niet van hem was.
“Die
stok is vast van
één of andere arme sloeber, die moeilijk ter been
is.
Ik laat die stok voor wat hij is en
ik ga verder”, mompelde
de landloper.
Het liep tegen de avond en het werd
tijd een slaapplaats te
zoeken voor de komende nacht.
Een beschutte plek had hij toch wel
nodig, want de Dordogne-
nachten konden ijskoud zijn.
Even buiten het dorp vond hij een
lege tabakschuur.
Van wat hooi en wat stro vormde hij
zijn bedje voor die
nacht.
In iets wat ooit een rugzak geweest
was, had hij een dunne
deken.
Dat was genoeg.
Hij lag uit de wind en met wat extra
hooi over de deken, zou
hij de nacht goed kunnen doorkomen.
Binnen vijf minuten viel hij in een
diepe slaap en een
argeloze voorbijganger zou gedacht hebben dat er in de schuur dikke boomstammen
doorgezaagd werden.
Michel sliep aan
één stuk door tot acht uur de volgende
ochtend.
Hij kroop uit zijn slaapplaats, sloeg
het stro en het hooi
van zijn kleren en liep de tabakschuur uit.
De deur ging piepend open en het
eerste wat hij zag was de stok,
die nu naast de deur van de tabakschuur stond.
Zijn mond viel open van verbazing.
Hij wreef nog eens in zijn ogen en
keek om zich heen of er soms
iemand in de buurt was, maar het was doodstil.
Michel nam de stok in beide handen,
bracht hem naar zijn
ogen en hield hem toen weer wat verder af.
Hij kneep zijn ogen samen, alsof hij
niet kon geloven wat
hij zag.
..........................................................................
© copyright paul hammelburg 2008