terug

wandeling in pin'an

 

Om  kwart voor zes loopt mijn wekker af.
Met een schok wordt ik wakker door het onaangename gerinkel.
Deze morgen vind ik het iets minder onaangenaam als anders.
Ik wil gaan wandelen en de zon zien opkomen.
De temperatuur is nu nog prettig, maar zal weldra gaan oplopen.
Na een snelle douche pak ik een paar flesjes water,  wat biscuits en frommel alles in mijn rugzak.
Mijn fototoestel om en ik ga op pad.
Als ik het hotel via de achterdeur verlaat, kijk ik meteen uit over een diepe vallei.
In de verte zie ik vaag de bergkammen in verschillende scharkeringen violet.
Het is stil, volledig stil.
Er staat geen zuchtje wind.
De vochtige koelte slaat zijn arm om mij heen.
Ik ril even, voordat ik begin te klimmen en mijzelf ga warm lopen.
Heel af en toe hoor ik een vogel vanuit de vallei, een voorzichtige aubade in gang zettend.
Het pad naar boven is steil en moeilijk begaanbaar.
Bovendien is het nog schemerig, zodat ik goed moet opletten waar ik loop.
Af en toe stop ik even om uit te puffen en tegelijk te genieten van het uitzicht.
Na een kwartiertje bereik ik een open plek, die een eersteklas uitzicht verschaft over het dal.
“Dit is een goeie plek om voorlopig te blijven”, zeg ik zachtjes hardop tegen mijzelf.
Ik kijk schuchter rond of niemand mij gehoord heeft, maar ik ben volkomen alleen.
Nadat ik mijn rugzak afgedaan heb en mijn fototoestel bedrijfsklaar gemaakt heb, neem ik plaats op een grote kei.
De lucht boven mij is donkerblauw.
Richting het oosten verandert het blauw langzaam in diep rood.
Achter de meest oostelijke grillig gevormde bergen begint het rood over te gaan in roze.
Laag in het dal ligt een slordig afgewerkte deken van ochtenddauw.
Even weet ik niet meer waar ik ben en moet alles voor mijzelf op een rijtje zette.
Ik zit hier op een rots in zuidwest China, acht uur vliegen van huis.
Het is echt waar.
Onder mij zie ik de rijstvelden, aangelegd in plateaus, nog donkergroen gekleurd.
Geen plekje is onbebouwd gelaten.
De plateaus vormen sierlijke lijnen, evenwijdig aan elkaar, in de meest grillige vormen.
Een groot kunstenaar moet dit ontworpen hebben.
Maar hoeveel generaties hebben zich afgebeuld om te planten en te oogsten?
Hoeveel noeste arbeid zit daar niet in?
Ik zie twee kleine figuurtjes, onophoudelijk gebukt, tussen de rijstplanten, alsof zij met hun voeten in het zweet van hun voorouders staan.
Hun grote hoeden verdoezelen de zware arbeid die zij verrichten.
Mijn blik gaat weer naar boven.
De roze lucht boven de berg is nog niet veranderd.
Zo sta ik een tijdje te dromen met mijn ogen open.
Opeens voel ik een warme ademhaling, vlak achter mij.
Mijn hart slaat een slag over.
Langzaam draai ik mijn hoofd.
Op de steen achter mij zit een klein vrouwtje op haar knieën.
Zij zal niet groter zijn dan 1.45 meter en lacht vriendelijk naar mij.
Haar tanden zijn spierwit en staan wat vooruit.
Zij heeft Mongoolse trekken.
Boven haar hoge jukbeenderen zijn haar donkere flonkerende ogen nog net zichtbaar.
Omdat zij zo breed lacht, heeft zij haar oogleden tot spleetjes getrokken.
Haar pikzwarte haren heeft zij in elkaar gedraaid en daarna om haar hoofd gebonden.
Zij fluistert een paar woorden en daarbij wijst zij naar de bergen.
Ik begrijp wat zij bedoelt en ik kijk weer naar het oosten.
Inmiddels maakt het roze plaats voor goudgeel.
Het zal niet lang meer duren eer de zon boven de bergen verschijnt.
Weer zegt zij zachtjes iets tegen mij.
Daarbij tikt zij behoedzaam op mijn schouder.
Als ik omkijk, wijst zij naar haar rug.
Op haar rug draagt zij een rieten mand.
Uit de mand komt een zacht gepiep.
Zij fluistert iets, waaruit ik begrijp, dat ik in de mand moet kijken.
Als ik over de rand kijk zie ik een tiental kuikentjes op de bodem van de mand.
Het vrouwtje lacht mij aanmoedigend toe.
Behoedzaam pak ik een warm bolletje dons in mijn hand.
Weer die lach.
Ik zet het kuikentje terug bij de rest van de familie en kijk weer naar de bergen.
Nog even en het is zo ver, de zon zal verschijnen.
Opnieuw wordt er op mijn schouder getikt
Als ik omkijk, wijst zij op haar haren en fluistert nieuwe woorden.
Ik knik, waarom weet ik ook niet.
Zij wijst dat ik een stukje achteruit moet gaan.
Behoedzaam doe ik twee stappen achteruit en kom gevaarlijk dicht bij de rand van het plateau te staan.
Nadat ik mijn plaats ingenomen heb, staat zij op en klimt op de grote kei.
Het vrouwtje draagt een cyclamenrood jak en een zwarte rok.
Haar voeten worden gesierd met totaal versleten sandalen.
Zij lacht haar lach en maakt met één hand  de om haar hoofd gebonden wrong los.
Als een zwarte waterval valt het haar langs haar lichaam tot op haar kuiten.
Trots kijkt ze mijn kant op.
Ik krijg het gevoel dat ik tot in haar ziel kan kijken.
Ik laat merken dat ik haar bewonder en prachtig vind door in mijn handen te klappen.
Snel pak ik mijn camera en schiet een aantal plaatjes.
Zij maakt dankbaar een buiging.
Als zij weer overeind komt, heeft haar lach plaats gemaakt voor een ernstige uitdrukking op haar gezicht.
Het lijkt of alles en iedereen nu de adem inhoudt.
En dan, onder trompetgeschal van de dieren in de verre omtrek, verschijnt de zon boven de bergen.
Het is alsof zij explodeert in oneindig veel gouden pijlen.
Eén van de pijlen lijkt de vrouw te treffen en zet haar in een gouden gloed.
Bij de volgende pijl vervagen haar omtrekken langzaam tegen het bamboebos achter haar.
Het laatste wat ik zie, is de uitdrukking van spijt op haar gelaat.
Ik kijk nog eens goed, loop wat heen en weer, maar zie niemand, behalve die twee in de diepte.
Zij werken onverdroten door, zonder op- of omkijken.
Alsof er geen wonderen zouden kunnen gebeuren.
Na een paar slokken water besluit ik weer op pad te gaan.
Inmiddels is de zon al ruim zichtbaar en begint de temperatuur al op te lopen.
Het pad loopt verder naar boven.
Er komen zijpaden uit op mijn pad en er splitsen zich weer nieuwe paden af.
Boven mij vliegt een prachtige vogel, zingend als een nachtegaal.
Het pad draait om de eerstvolgende berg.
Het is steeds spannend welk uitzicht zal volgen na de volgende bocht.
De prachtige natuur slokt mij volledig op.
Schitterende vergezichten, in de verte kleine huisjes met rode daken tussen de eindeloze frisgroene rijstvelden.
Even later loop ik weer door dichte bamboebossen met stammen zo dik als mijn bovenbeen.
Ik passeer kleine meertjes met helder blauwgroen water, waar ik de vissen in zie zwemmen.
En maar steeds diezelfde vogel boven mijn hoofd
..........................................................................

Hoe dit verhaal verder gaat, kunt u lezen in mijn boek.


                                                                                  


                                                                                                                                                           
                                                                                                                                                                                    
terug

 

© copyright paul hammelburg 2008