willem
Om
5:30 uur word ik
gebeld.
“Goedemorgen, met
brigadier Van Velsen, bel ik u wakker?”
Lijkt me een overbodige
vraag dus ik ga er niet op in.
“Spreek ik met de
dokter?”
“Ja.”
“We hebben zojuist
vastgezet de heer Willem Strijker in verband met een ernstig delict.
Hij wil verder niet veel
zeggen en vraagt steeds naar u.”
Als ik stil blijf, voegt
de politieman er aan toe: ”Hij is erg overstuur…
dus.”
“Ja, dus wat?”, denk ik
licht geïrriteerd, omdat ik nog niet goed wakker ben en op dat
moment ook
geen andere adequate vragen weet
te bedenken.
“Ik kom zo wel even
kijken.”
Tussen vijf en zes uur
gebeld worden is de meest ellendige tijd, omdat daarna van slapen geen
sprake meer kan zijn.
Met dit soort zinloze
sikkeneurige gedachten houd ik mezelf bezig, terwijl ik me aankleed.
Eén maal in de auto ben
ik goed wakker en geniet van de eerste tekenen van een prachtige zomerochtend die er aan
zit te komen.
Oppassen dat ik geen
konijnen plat rij.
Uit ervaring weet ik dat
ik heel vroeg of juist laat in de nacht de meeste kans heb konijnen voor mijn
wielen te krijgen.
Ik bedenk dat ik Willem
niet vaak zie op het spreekuur.
Zijn ouders ken ik veel beter.
Hij was enkele weken
daarvoor bij mij geweest.
Waar ging het ook al weer
over?
Maagpijn, moeilijkheden
in zijn relatie.
Zijn vrouw begint hem
steeds meer te commanderen.
Sinds een jaar is hij
getrouwd.
Zij studeert, meen ik me
te herinneren.
Hij is werkeloos.
Ik ken zijn vrouw niet
persoonlijk, zij heeft haar eigen huisarts.
Nooit een ideale
situatie, twee huisartsen in één gezin.
Maar goed, iedereen is
vrij…
Zo zit ik een beetje voor
mij uit te mijmeren en ben bij het politiebureau voordat ik het goed en
wel
in de gaten heb.
Ik zet mijn auto op een
plaats waar ik niet mag staan, pak mijn tas en doe het bordje
‘spoedvisite’
voor mijn voorruit.
Terwijl ik de brede trap
naar de voordeur oploop, gaat deze automatisch
open.
De agent van de wacht
komt op mij toegelopen.
“U bent de dokter?”
Ik knik.
“Komt u even mee, voordat
u naar de arrestant toegaat.”
Wij lopen een zijkamertje
in, waar zich nog een andere agent en een man in burger bevinden.
Iedereen kijkt diep
ernstig.
“Nou, Willem is niet
opgepakt voor door het rode licht rijden”, denk ik, maar ik
houd het voor
mijzelf.
“Gaat u even zitten”,
zegt de man in burger.
“De heer Strijker is opgepakt
op verdenking van moord, c.q. doodslag.
Mevrouw is in de woning
dood aangetroffen.
De dood is
hoogstwaarschijnlijk ingetreden door wurging.”
Verdere details worden
mij onthouden, maar later hoor ik dat zij inderdaad gewurgd is.
Zij werd liggend in bed
aangetroffen.
Het bed was bedekt met
rozenblaadjes en omringd door brandende waxinelichtjes.
In haar handen hield zij
een brief, waarin stond dat Willem altijd van haar zou blijven houden.
“Wat een ellende”, is het
enige dat ik op dit moment weet te bedenken.
“Bent u op de hoogte van
huwelijksperikelen?”, vraagt de man in burger.
“Ik geef geen antwoord op
uw vraag, omdat ik mijn beroepsgeheim heb.”
De rechercheur kijkt wat
teleurgesteld, maar dringt niet verder aan.
De agent van de wacht
richt nu het woord tot mij: “Gezien de ernst van de zaak, mag
u uitsluitend
met hem spreken in de
cel.”
"Het zal wel, denk ik",
"breng me nou maar naar hem toe".
“Zullen we dan maar”,
stelt hij voor.
We lopen met z’n vieren
op een rijtje een paar gangen door, rechtsaf, linksaf en bereiken het cellencomplex.
Terwijl de agent van de
wacht naar een cel aan het einde van de gang loopt, kijk ik
links en
rechts.
De cellen zijn alle leeg.
“Hier is het,” zegt hij.
Terwijl hij de cel aan de
rechterkant ontsluit, roept hij naar binnen: “Hier is de
dokter voor u.”
“Gaat u binnen”, nodigt
de agent mij uit.
Ik doe drie stappen naar
voren en kijk naar rechts.
Het beeld dat ik voor
ogen krijg, zal ik nooit vergeten.
Helemaal in een hoek
gekropen, zit, als een aangereden vogeltje, een ineen gedoken gestalte, zachtjes voor zich uit te
huilen.
Zijn wangen zijn nat van
de tranen.
Het speeksel loopt uit
zijn mond en het snot hangt in grote slierten naar beneden.
Hij wiegt nauwelijks
waarneembaar heen en weer.
Ik ben geschokt door wat
ik zie en voel diep medelijden.
In eerste instantie lijkt
hij mij niet op te merken.
Ik hurk naast hem neer.
..............................................................................
© copyright paul hammelburg 2008