chopsticks
(deel 2)
Mijnheer
Van de Berg is
in de weken die volgden snel achteruit gegaan en is stervende.
Hij eet helemaal niet
meer en drinkt nog maar een beetje.
Het is geen kwestie van
weken meer, maar van dagen of uren.
Vanmorgen was ik al bij
hem.
Hij was nauwelijks meer
aanspreekbaar.
Of hij besefte dat ik bij
hem was, weet ik niet zeker.
Toen ik vroeg of hij pijn
had, schudde hij zachtjes zijn hoofd.
Mijnheer Van de Berg kan al
dagen niet meer uit bed.
Hij heeft er de kracht niet
meer voor, bovendien doet hem dat te veel pijn.
Zijn ademhaling is
onregelmatig.
Sinds een paar dagen heeft
hij een katheter en een luier.
De verdere
onttakeling neemt
in snel tempo toe.
Als ik hem zie, krijg ik
onmiddellijk associaties met de foto’s uit de
concentratiekampen, die ik maar al te goed ken, maar ik verban
dat gevoel naar mijn onderbewustzijn.
Zijn uitgemergelde lichaam, bijna een skelet,
lijkt te zweven boven de lakens.
De luier steekt grotesk
af tegen de rest van zijn lijf.
De botten steken er uit als
chopsticks uit een enorme noedel.
Iedere dokter kent dit
beeld.
Ik zou het nog vele malen
gaan zien tijdens mijn loopbaan.
Ik doe voor hem wat ik kan
en zit een tijdje naast zijn bed.
Gewoon naast hem zitten
en zijn hand vasthouden.
Zijn ademhaling lijkt
rustiger te worden.
Ik kan het niet helpen
dat mijn sympathie meer naar hem uitgaat dan naar zijn, naar mijn
smaak, te zelfingenomen wederhelft.
Zij wil niet over het
afscheid praten, wel over het feit dat hij het niet beter had kunnen
treffen
met de verzorging die zij hem
bood.
Het valt me wel op dat
zij al in de verleden tijd spreekt.
Ik raad haar aan de
pastoor te bellen.
“Zullen we
vanavond met z’n vieren Chinees
gaan eten? “, stelt mijn opleider voor.
Chinees eten,met chopsticks,
denk ik onmiddellijk, met gemengde
gevoelens.
“Mag het iets anders
zijn, in plaats van Chinees?”
We zijn het al snel eens
over het restaurant, waar wij neer zullen strijken.
“Zul je zien dan mijnheer
Van de Berg net vanavond dood gaat”, zeg ik terwijl de
telefoon gaat.
Mevrouw Van de Berg heeft
het telefoonnummer
gekregen, speciaal
voor dit soort gelegenheden, buiten de reguliere
werktijden.
“Ja, mevrouw Van de Berg,
wij komen meteen.”
“Het eten kan doorgaan
vanavond, mijnheer Van de Berg is zojuist gestorven.”
Omdat mijn opleider zeer
zorgvuldig met dit soort situaties wil omgaan, hebben wij van tevoren
afgesproken dat hij mee
zal gaan, zodra de patiënt overleden zou zijn.
Ik heb nog nooit een
dergelijke visite afgelegd in een huissituatie, dus ik vind het wel
prettig om
een keer te zien hoe Wim Boot
dat doet.
Als we bij Damstraat 7
zijn aangekomen, staat de voordeur al open.
We lopen naar binnen en
rechtstreeks naar de achterkamer.
Ik ben mij meteen bewust
dat ik eigenlijk richting gezang loop.
Als Wim de kamerdeur
opendoet, wordt het gezang twee keer zo sterk.
"Psalmen", denk ik.
Dat mijnheer Van de Berg
gestorven is, is niet moeilijk vast te stellen.
Ik heb het begrip
schijndood nooit goed begrepen.
Wanneer je de kamer van
een overledene binnenkomt, zie je eigenlijk op afstand al dat iemand
gestorven is.
Mevrouw Van de Berg is
inmiddels aan de volgende psalm begonnen en trekt alle aandacht naar
zich toe.
Wij naderen het bed en
Wim zet plichtsgetrouw zijn stethoscoop op de ingevallen borst van de
overledene.
Daarna controleert hij of
er nog reacties zijn van de pupillen.
Het schijnen bijna
rituele handelingen.
Wij condoleren mevrouw
Van de Berg.
...................................................................
© copyright paul hammelburg 2008