Dag 2, 3 september 2007: aankomst Beijing, hutongs

 

 

 

Eenmaal de slurf uit, een weldadige stilte. In eerste instantie krijg je het gevoel dat het hier kleiner is dan Schiphol, maar dat moet schijn zijn. De bagage pikken we op van de transportband. We passeren eerst de douane. Er staat een gele streep op de grond. Als je bijna aan de beurt bent neem je plaats achter die streep, totdat je voorganger klaar is. In China betekent plaatsnemen achter de streep ook echt achter de streep, anders wordt je onmiddellijk terechtgewezen. Daarna langs een beambte met een uniform  aan voor het eerste formulier en vervolgens langs nog  een beambte met weer een ander uniform aan voor het tweede formulier. Deze formulieren hebben we na de landing uitgereikt gekregen. De Chinezen willen van alles weten, waar we naar toe gaan en waarom, of we gezond zijn, enz. Maar waar is nou eigenlijk de reisbegeleiding? Niemand te bekennen.

Al onze bagage laden we in alle rust op een karretje en de schuifdeuren gaan open. En daar breekt het pandemonium los. Een roestvrij stalen leuning, oneindig lang en daarachter een zee van vlaggetjes en bordjes in alle kleuren. Achter de vlaggetjes en bordjes staan even zoveel mannen en vrouwen met een vragende, verwachtingsvolle uitdrukking op hun gelaat. Sommigen roepen iets overstaanbaars en anderen zwaaien alleen. Tussen de menigte vinden we tenslotte een bordje Dimsum met daar aan vast Ted, de Chinese gids die ons zal begeleiden in Beijing. Achter hem harkt een Chinese vrouw, zij blijkt onze reisleidster Yun Li te zijn, alle twaalf de Dimsumgangers bij elkaar. We maken onderling kennis. De eerste indruk is, ach, van alles wat. Tot mijn intense vreugde ontdek ik dat ik niet de oudste ben. Dat is dus een goed begin. We lopen met de bagage naar een bus(je), dat ons naar Beijing stad zal brengen. Ted, de gids, loopt voorop met een lichtblauw vlaggetje op een uitschuifstokje. In eerste instantie vind ik dit vrij belachelijk, maar ik zal er later achter komen dat het toch niet zo belachelijk is als het lijkt. Overal zie ik hopmannen en akela’s met vlaggetje lopen. Achter ieder van hen volgt een kudde welpjes, kabouters of verkenners, die zware koffers voor zich uit duwen of achter zich aan slepen. Wat het eerste opvalt in deze stad met 17 miljoen inwoners is dat alles, maar dan ook werkelijk alles groot, hoog, diep en veel is. De smog boven Beijing, waar veel over geschreven en gezegd wordt, bestaat echt. Er hangt een dampige atmosfeer. Je kunt niet echt ver kijken. Het verkeer is enorm. De meeste grotere wegen zijn vierbaans, in beide richtingen. Parijs kent een binnen en een buiten periferique, twee dus. Beijing kent zes ringen en de zevende is in aanbouw!  Auto’s en brommers, fietsen en heel veel geelbruine taxi’s passeren elkaar links en rechts. Dit is ook toegestaan. Alles toetert en maakt lawaai. Het is geen daad vol agressie, maar bedoelt om de ander duidelijk te maken dat je er aan komt. Het ziet er erg chaotisch uit en dat is het ook voor een westerling. Er zijn zebrapaden. Dit zijn gemarkeerde oversteekplaatsen, waar de kans iets kleiner is dat je dood gereden wordt dan elders. Vaak staan er door het stadsbestuur aangestelde personen bij de oversteekplaatsen. Tot hun uitrusting behoort uiteraard een pakje met sterren en strepen, een parasol, een fluitje en een vlag. Met deze hulpmiddelen worden de overstekende voetgangers afgericht en/of getemd. Oversteken doe je als volgt: blik op oneindig en zonder op- of omkijken in een gelijkmatig tempo oversteken. Vooral niet twijfelen of van tempo veranderen, want voor en achter je scheurt het verkeer met grote snelheid door. Om het fileprobleem in Nederland glimlacht de gemiddelde Chinees, denk ik. Hier staat het verkeer bijna altijd vast. Tussen de stoplichten hangt een bord waarop je kunt aflezen hoeveel seconden het nog duurt voordat het licht op groen dan wel rood springt. De overheid wil, zeker tijdens de Olympische Spelen, iets doen aan de smog. Zij wil het verkeer beperken. De ene dag mogen de auto’s met een even eindcijfer rijden en de andere dag de auto’s met een oneven eindcijfer. De welgestelde inwoner van Beijing gaat dit probleem als volgt oplossen: heb je een auto met even eindcijfer, koop dan een tweede wagen met oneven eindcijfer of omgekeerd. Endat er naast veel armoede ook veel welgestelde Chinezen zijn, kan ik de lezer verzekeren. De gebouwen langs de wegen zijn hoog, hoger, hoogst. Oneindig vele en hoge huurkazernes. Vaak schitterend vormgegeven, veelal ook grauw en grijs. Naarmate wij het centrum naderen worden de gebouwen steeds hoger en indrukwekkender.

      

In de “smallere” straten is de chaos  zo mogelijk nog groter; iedereen toetert, fluit, belt en roept: ik kom eraan! De fietsen worden, zonder uitzondering, niet onderhouden. In drie weken China heb ik oneindig veel fietsen gezien, de meeste verroest en geen één met licht. Een fiets is om mee te fietsen, maar ook om alles mee te vervoeren. Je ziet hele handige fietsen met een laag bakje achter, waar hele bankstellen op geladen kunnen worden. Zo’n zelfde bak kun je ook volleggen met losse eieren en daar doodgemoedereerd de stad mee door hobbelen. Op vele straathoeken zie je kleine uitstallingen met fietsonderdelen, wat los gereedschap en sleutels met daarnaast een man die een band plakt of slaapt. Het feit dat een fiets kapot kan en gaat, levert vele Chinezen een klein inkomen op. Toch lopen deze kleine ondernemers het risico zonder werk te komen, want de auto verdringt de fiets steeds meer.
De bus bereikt het Bamboo Garden Hotel. Uitstappen, koffers eruit en plaatsnemen naast de receptie voor een eerste breefing. De sleutels, in dit geval een card, worden uitgereikt en we zoeken onze kamers op. Na wat gehannes met de keycard krijg ik de deur tenslotte open. Een prima kamer twee dubbele bedden, goede badkamer met douche en bad en een eigen toilet, hoera. Een half uurtje later verzamelen we voor een eerste verkenning van de stad. Het hotel ligt in een relatief smalle straat. Het hotel, zoals de beschrijving al aankondigt, is een hotel met een typisch Chinese sfeer. Veel tuinen met waterpartijen en gescheiden gebouwen. Ik loop het straatje uit waaraan het hotel ligt. Een eerste kennismaking met de lucht van de openbare toiletten, die vrolijk de wereld in stinken. Het valt mij onmiddellijk op dat de geur anders is dan bij ons, duidelijk het gevolg van een ander voedingspatroon. Over voedingspatroon gesproken, we eten en drinken vlak bij het hotel in een klein eethuis voor 2,30 euro. Ik proef voor de eerste maal de Chinese keuken. Het bevalt mij uitstekend. Het is op straat stoffig, maar grof vuil zie ik niet. Op de hoek lopen we onder de toegangspoort door. Zo zijn er vele in de wijken van de steden  van China. En jongen op een fiets spot ons, remt, stopt en opent zijn aluminium koffertje en ja hoor, de eerste glanzende Rolexen lachen  mij tegemoet.
Tegen de avond lopen we vanaf het hotel de andere kant op, richting de hutongs. Hutongs zijn de traditionele oude wijken in Beijing. Ze zijn ommuurd en bestaan uit vele nauwe straatjes en steegjes, waaraan de woonhuizen gelegen zijn. De huizen bestaan meestal uit één woonlaag met een binnenplaats. Het sanitair laat vrijwel altijd te wensen over. Via een aantal van deze kleinere straatjes en een locaal marktje bereiken we het Hou Hai meer. Langs het meer loopt een boulevard met bomen. Tussen deze bomen speelt zich van alles af. Twee mannen zitten te schaken (Chinees) en worden omringd door een aantal belangstellende toeschouwers. Er wordt gekaart. Er wordt gevist met een schepnet. Een oudere man doet samen met zijn kleinzoon gymnastiekoefeningen aan de daar geplaatste toestellen. Aan de overkant wordt een man geknipt in de open lucht.

een kapper in een hutong in Beijing

De riksja’s rijden af en aan. We houden er één aan. Yun kletst even met de bestuurder. Een telefoontje en binnen de kortste keren staan er zeven riksja’s klaar. Het eerste moment voel ik me een beetje bezwaard. Een pezige kleine Chinees rijdt ons in een flink tempo rond. Bij een bruggetje springt hij van de fiets, duwt ons hollend over het hoogste punt en springt net op tijd weer op het zadel om de bocht te kunnen maken. De straatjes worden steeds smaller. De muren van de huizen zijn grijs geschilderd in opdracht van de overheid van Beijing. Dat staat minder rommelig. De hutongs worden steeds zeldzamer omdat ze in snel tempo afgebroken worden en vervangen worden door torenhoge nieuwbouw. Ik bezoek een origineel Chinees huis. Via een poort betreed ik het voorpleintje. Er hangen wat vogelkooitjes en er staan planten. Ik loop door een maanpoort. Een maanpoort is een ronde poort, zoals de naam al doet vermoeden. En zo kom ik op de binnenplaats. Een klassiek Chinees huis bestaat uit een binnenplaats met één of twee bomen met daar omheen de woonruimtes. Op het noorden woonden de hoofdbewoners. Er omheen de rest van de familie en de bedienden. Het geheel is ommuurd en al het leven is dus naar binnen gekeerd, zoals het karakter van de Chinees. De rit met de riksja gaat verder in steeds smallere en stillere steegjes en eindigt uiteindelijk in één van de grotere straten. Afrekenen, een tevreden riksja driver en tevreden klanten. Inmiddels is het snel donker geworden. Tijd voor de maaltijd. Yun zoekt een geschikte eetgelegenheid. We passeren een zaaltje en daar zie ik voor het eerst driedimensionale tv. Ja, ja, het is er dus al in China. We eten op een dakterras en hebben zo uitzicht op de veelkleurige en levendige lichtreclames  van de eethuisjes in de omgeving. Door de groep worden weer hardvochtige individuele gevechten geleverd met de chopsticks. Maar met grote flessen bier erbij lukt het steeds beter. Sommigen hebben westers bestek in hun zak, maar dat is mij toch mijn eer te na. We lopen richting hotel via een smalle straat met aan beide zijden winkeltjes. Deze Chinezen spreken een mondje Engels. Hun vocabulaire bestaat uit niet veel meer dan hello, very cheap, en have a look. Dit in willekeurige volgorde. Hier leer ik ook hoe je dient te handelen als je niets wilt kopen. Je loopt gewoon de straat door en probeert daarbij precies in het midden te blijven lopen. Kijk je een seconde links of rechts, dan staat er meteen een verkoper of -ster bij je om je te vertellen dat je very welcome bent. De mensen zijn erg vriendelijk, zeggen ook zonder bijbedoelingen “hello” tegen je. Soms ook om een beetje Engels te oefenen. Ik had na drie weken China niet zo zeer last van mijn beenspieren van het lopen, als wel van mijn lachspieren van het vriendelijk terug lachen. De eerste dagen voelde ik mij sinterklaas of een soortgelijke bezienswaardigheid. Het is meerdere keren voorgekomen dat een wildvreemde Chinees gezellig bij of tegen mij aan kwam staan, waarna een metgezel een foto maakte van ons. Na twee keer krijg je daar routine in en sla je “spontaan” een arm om diegene die met je op de foto wil. Met de andere hand dien je een V-teken te maken. Allemaal nieuwe vrienden. Deze avond word ik geconfronteerd met de eerste beruchte Chinese rochels. Ik moet toegeven, het waren er minder dan verwacht. Vooral in Beijing is het aantal min of meer beperkt te noemen met de Olympische Spelen in aantocht. De overheid heeft in dit kader zelfs een speciale actie op poten gezet. Maar het gebeurt toch altijd nog een vijf tot tien keer per dag in je directe omgeving, zo niet op de punten van je schoenen. Een Chinees rochelt ook niet ongemerkt. Hij haalt hem van heel, heel diep, met veel lawaai en kijkt ook meestal niet echt waar hij zijn productie deponeert. Zelfs in eethuizen hoor en zie je het soms. Eet smakelijk! De luchtwegen zijn weer schoon. In dit kader, de Chinees is veel bewuster met gezondheid bezig dan wij westerlingen. Voeding, Chinese geneeskunde, lichaamsbeweging, acupunctuur, massage, ontspanning in het algemeen, zelfs de bouw van huizen staan in het teken van het evenwicht tussen yin en yang. Dikke Chinezen, ze zullen er wel zijn, maar ik heb ze niet gezien. Ja toch, twee heel dikke vrouwen , maar dat bleken later Amerikanen te zijn. Het enige wat klein is in Beijing zijn de honden, heel veel en heel klein, maar het zijn dan natuurlijk ook Pekinezen. Ik heb nooit hond gegeten. Ik weet dat vrij zeker, want hond is een duur gerecht. Eén maal heb ik het op de kaart zien staan. In het noorden van China zouden ook speciale hondenfokkerijen zijn. De verhalen daarover zijn vrij gruwelijk en laat ik dan ook maar achterwege. Terug in het hotel ga ik nog even naar de businessroom (twee computers en één medewerkster van het hotel) en stuur Bettie een eerste mail.